Tijdens de elfde Week van het Nederlands (4-12 oktober 2025) trekken we de Lage Landen in voor een boeiende taalreis. Reisleiders van dienst zijn schrijver en muzikant Aafke Romeijn en docent en comedian Kelia Kaniki Masengo. We hadden het met hen over – hoe kan het ook anders – reizen, hun liefde voor taal en over kleine ergernisjes op vakantie.

Lezen onder de lakens

© Mathias Hannes

Aafke, jij schrijft en maakt muziek. Kelia, jij schrijft, geeft les in communicatie en staat op het podium als comedian. Het Nederlands is voor jullie allebei dus het materiaal waarmee je dagelijks werkt. Is die liefde voor onze taal er altijd al geweest? 

Aafke: Ik heb altijd graag en veel boeken gelezen, en ik wilde al schrijver worden zolang ik me kan herinneren. Dus ja, in mijn geval is die taalliefde altijd heel duidelijk geweest.

Kelia: Toen ik jong was, heb ik ook ontzettend veel boeken verslonden. Ik was zo’n kind dat haar moeder wijsmaakte dat ze ging slapen, en daarna nog met een zaklamp onder de lakens lag te lezen. Fantastisch vond ik dat. Ik schreef ook soms toneelstukjes. Mijn taalliefde is dus jong begonnen, maar ze is een tijdje verdwenen in mijn tienerjaren. Het schoolse systeem zat daar ook voor iets tussen, denk ik. Zo rond mijn twintigste begon ik weer volop te genieten van taal en literatuur. Ik heb in die periode ook een paar cursussen gevolgd bij Wisper en Creatief Schrijven, dat hielp natuurlijk.

Het lijkt een tendens dat kinderen niet meer van Nederlands houden op school. Jullie hebben allebei voor de klas gestaan. Op welke manier zouden we het vak Nederlands aantrekkelijker kunnen maken?

Aafke: Ik wil hier geen heel pedagogisch pleidooi houden, maar ik vind dat de focus in Nederland nu te veel op leesbegrip ligt. Er is bijna geen ruimte voor creativiteit, interpretatie, analyse – laat staan het hele culturele aspect van taal en literatuur. Dan wordt het natuurlijk al snel een saai vak. Dat vind ik zelf ook. 



"Ik was zo’n kind dat haar moeder wijsmaakte dat ze ging slapen, en daarna nog met een zaklamp onder de lakens lag te lezen."



© Mathias Hannes

Jullie gaan binnenkort op scholentournee. Welke boodschap wil je meegeven aan de leerlingen? Wat wil je dat ze onthouden na jullie voorstelling?

Aafke: Dat je met taal ook gewoon heel veel plezier kunt hebben. En dat taal veel interessanter is dan ze misschien denken. Ik ben ervan overtuigd dat er voor iedereen wel ergens een soort van talige rabbit hole te vinden is die interessant genoeg is om in te verdwijnen. 

Kelia: Ja. En dat taal ook gewoon een tool is, een set gereedschap waar je van alles mee kunt. Ik denk dat het fijn is om dat te weten. Hoe beter je die tool beheerst, hoe meer deuren je kunt openen voor jezelf. Als je jong bent, sta je daar misschien nog niet bij stil, maar ik vind het belangrijk om het daarover te hebben. Ik wil ook dat jongeren zich bewust worden van het feit dat er verschillende soorten taal zijn. De taal die je op de werkvloer hanteert, is niet hetzelfde als de taal die je thuis spreekt. En hoe meer taalregisters je beheerst, hoe meer deuren er opengaan en hoe makkelijker je de wereld kunt betreden. Je kunt dus niet alleen veel plezier beleven aan taal, het is ook een middel om je toekomst veilig te stellen. 

En kan zo’n Week van het Nederlands daar een verschil in maken?

Aafke: Door naar scholen toe te gaan en echt iets nieuws te brengen, denk ik wel dat we daartoe kunnen bijdragen. Ik hoop dat we daarmee in ieder geval het beeld kunnen veranderen dat leerlingen hebben van Nederlands. Want het Nederlands als taal is veel meer dan wat ze tijdens het lespakket Nederlands zien. 

Kelia: Ja, ik denk dat het allemaal kleine steentjes kunnen zijn. Zelf heb ik ook niet de beste herinneringen aan mijn middelbareschooltijd, maar ik had een heel goede leerkracht Nederlands en Engels, meneer Sneijers, en die heeft mijn taalliefde echt een vonk gegeven. Zo’n fijne leerkracht kan dus zeker een verschil maken. En als leerlingen naar onze voorstelling komen kijken en zien dat mensen op een heel creatieve manier met het Nederlands aan de slag gaan, slagen we er misschien ook in om een steentje te verleggen. 

© Mathias Hannes

Aafke, je hebt intussen al vijf albums uit in het Nederlands, maar je eerste plaat was in het Engels. Waarom ben je destijds overgeschakeld op het Nederlands? Hoe anders voelt het om te schrijven en te zingen in je moedertaal? 

Aafke: Ik wilde gewoon zo precies mogelijk kunnen zijn. Zeker in songteksten is dat heel belangrijk, want je bent zo gebonden aan metrum en ritme, en je bent zo beperkt in je ruimte en in je mogelijkheden – een songtekst schrijven is bijna als een puzzel die je legt. Ik dacht altijd dat dat gemakkelijker ging in het Engels, misschien ook omdat bijna iedereen in het Engels schreef, maar ik had helemaal niet door hoe onprecies ik eigenlijk was. En ik weet dat het een beetje een suf cliché is, maar in 2012 hoorde ik Spinvis zingen in het Nederlands en ik dacht toen: jeetje, zijn teksten zijn zoveel preciezer dan de mijne. Dat wilde ik ook, want ik beschouw mezelf echt als een schrijver, ik ben niet zomaar een muzikant die ook wat woorden nodig heeft om liedjes te vullen. In het Nederlands kan ik exact zeggen wat ik wil, en ik denk dat mijn teksten daardoor nu een stuk beter zijn.

Kelia: Ik heb precies hetzelfde met comedy: ik kan dat ook alleen maar doen in het Nederlands. Misschien is het wel mogelijk als je het vak al volledig in de vingers hebt, maar het lijkt me toch niet vanzelfsprekend. In een andere taal gaat toch altijd een bepaalde spontaniteit verloren die je alleen in je moedertaal hebt, denk ik. 



"Ik kan prima dialect praten, en toch zal het altijd voelen als iets dat niet ‘van mij’ is."



Kelia, er zitten veel talen in jouw familie, van verschillende plekken. Je vader komt uit Congo, wat is zijn moedertaal? En heb je daar zelf veel van meegekregen?

© Mathias Hannes

Kelia: Mijn vader is een Muluba uit Kasaï, in het zuiden van Congo, dus zijn moedertaal is Tshiluba. Maar daarnaast spreekt hij ook vlot Swahili, Lingala, Kikongo en Frans – die man is een echte polyglot. Hij was niet heel aanwezig tijdens mijn jeugd, maar als we elkaar zagen, praatte hij vooral Frans met mij. Ik ben dus niet opgegroeid met de moedertaal van mijn vader, en dat vind ik wel een gemis. Ik heb een tijdje online lessen Swahili gevolgd en dat was heel leuk, maar tegelijk is het niet vanzelfsprekend om je op latere leeftijd nog een taal eigen te maken die zo ver af staat van je eigen moedertaal. Misschien ligt dat voor andere mensen anders, maar ik merk dat het voor mij wel een zoektocht is om te bepalen hoe ik me tot die taal moet verhouden. Ik denk dat dat gevoel misschien herkenbaar is voor mensen die Nederlands leren op latere leeftijd, of voor jonge mensen die een andere thuistaal hebben dan het Nederlands. Ik zou het fijn vinden als we dat in onze voorstelling op de een of andere manier ook kunnen aanraken.

Het is inderdaad een belangrijke boodschap: dat je identiteit kan bestaan uit verschillende talen en dat je al die talen ook echt mag gebruiken, zelfs al beheers je ze (nog) niet perfect.  

Kelia: Ik zei het al: taal is uiteindelijk een soort gereedschap. Je kan en mag daar gewoon gebruik van maken en er je eigen invulling aan geven. Pas als je dat durft, kun je er creatief mee omgaan en er ook plezier aan beleven, denk ik. Maar soms lijkt er een vorm van schaamte in de weg te staan. 

Aafke: Het is absoluut niet hetzelfde als de situatie van iemand die een volledig nieuwe taal moet leren, maar dat gevoel van schaamte herken ik wel een beetje in het verhaal van mijn moeder. Zij groeide op in Oost-Brabant en hoorde in haar eerste levensjaren alleen dialect. Toen ze op de kleuterschool kwam, kon ze dus geen Algemeen Nederlands spreken, en daar schaamde ze zich heel erg voor. Zelfs nu heeft ze nog steeds het gevoel dat AN haar tweede taal is. Ik heb jarenlang haar brieven en e-mails nagelezen voor ze die durfde te versturen, terwijl haar Nederlands natuurlijk prima is. Maar dat is dus de reden waarom wij thuis geen dialect mochten praten. Ik hoorde het wel de hele dag, maar mocht het niet spreken, uit angst dat ik niet goed genoeg AN zou leren. Nu ik zelf volwassen ben, ben ik daar wel een beetje boos over. Ik kan prima dialect praten, en toch zal het altijd voelen als iets dat niet ‘van mij’ is. 



"Hoe meer taalregisters je beheerst, hoe meer deuren er opengaan."



De facto zijn onze dialecten al grotendeels uitgestorven.

Kelia: Dat is jammer. Maar er is natuurlijk lang een bewust beleid gevoerd om het AN te bevorderen en de dialecten terug te dringen. En nu vindt iedereen het ineens jammer dat de dialecten verloren gaan en dat daardoor heel wat talige rijkdom verdwijnt. Sja… 

Aafke: In Nederland werd ook een beleid pro AN gevoerd, het werd echt gezien als een emancipatieslag. Ik merk wel dat er op sociale media tegenwoordig weer meer aandacht is voor dialecten. Dat is fijn. In onze voorstelling willen we daar ook iets mee doen. 

© Mathias Hannes

Er wordt ook nogal wat gediscussieerd over jongerentaal. Is dat een verrijking voor onze taal of een verbastering?

Aafke: Ik denk niet dat het per se een tegenstelling is?

Kelia: Inderdaad. Bovendien: die jongerentaal is er tóch, en ze sijpelt tóch door in onze cultuur, op verschillende manieren. Ik vind het best grappig om daarmee te spelen. Als je ineens beseft: eigenlijk kan ik dit woord als bijna-veertiger helemaal niet meer gebruiken. 

Aafke: Ik vind het ook best hilarisch. Er bestaan memes die mijn zusje van 25 wel begrijpt en ik niet. Tja, dan voel ik me echt héél oud. Met jongerentaal is het net zo. Het werkt trouwens ook in de omgekeerde richting: zodra mijn dochter van acht bepaalde woorden begint te gebruiken, weet je dat ze niet meer hip zijn. Ik vind dat heel grappig, die evolutie. 

Kelia: Zoals ik al zei, denk ik dat het vooral belangrijk is dat mensen kunnen switchen tussen verschillende taalregisters en weten wanneer ze welke variant kunnen of mogen gebruiken. Maar jongeren zijn daar al best goed in, vind ik. Zeker jongeren met een meervoudige identiteit zijn van nature code switchers. Ook al omdat we voor veel woorden gewoon nog geen goede Nederlandse term hébben.

Op reis in taal

We gaan tijdens de Week van Nederlands op reis in taal. Welke rol speelt taal in jullie eigen reizen? Is Nederlands een taal die je associeert met reizen?

Aafke: Ja, best wel. Ik ben geobsedeerd door het leren van vreemde talen, maar uiteindelijk hang je die toch altijd op aan de kapstok van het Nederlands. Je vertrekt altijd vanuit je eigen moedertaal. Grammaticaal vind ik Nederlands sowieso superinteressant omdat het zo’n beetje overal tussenin hangt: het heeft veel typisch Germaanse grammaticale elementen, maar een deel ervan is ook alweer weg geërodeerd. Het is een vreemde mix van verschillende Europese talen, dus dat maakt het voor mij een goede basis om andere talen te leren. 



"In het Nederlands kan ik exact zeggen wat ik wil."



© Mathias Hannes

Als jullie op reis gaan, probeer je dan vooraf een paar woorden of zinnen in de lokale taal te leren? Of schakel je vrij snel over op het Engels of het Frans als lingua franca?

Kelia: Ik doe altijd wel de moeite om een aantal basiswoorden en -zinnen te leren, ja. Dat is een heel fijne manier om in contact te komen met mensen, en je merkt dat ze dat ook heel erg waarderen. Doe jij dat ook, Aafke?

Aafke: Ik probeer altijd een half jaar van tevoren te beginnen met studeren.

Kelia: Ja kijk, Aafke is next level, hè?

Aafke: Ik vind dat gewoon leuk! Iets waar ik wel moeite mee heb, is als ik het schrift niet kan lezen. Toen ik bijvoorbeeld nog geen cyrillisch kende en voor het eerst naar Servië ging, kon ik dus niks lezen, zelfs geen straatnaamborden. Ik voelde me compleet ontredderd. Daarom probeer ik me toch altijd voor te bereiden, al is het maar dat ik het schrift een beetje kan plaatsen, dat ik een soort van aanknopingspunt heb.

Dankzij het internet en vertaalsoftware zijn we gelukkig allemaal iets minder lost in translation.

Aafke: Inderdaad. Wat ik ook altijd doe, is notities maken op mijn telefoon van alle adressen die ik nodig heb, zodat ik ze snel kan openen in Google Maps.

Kelia: Je kunt je smartphone voor zoveel dingen gebruiken. Reizen is op dat vlak wel wat minder uitdagend geworden dan vroeger.



"Taal is uiteindelijk een soort gereedschap."



Wat is de raarste plaats in het buitenland waar je ooit Nederlands hebt horen spreken?

© Mathias Hannes

Kelia: Ik heb het gevoel dat ik al op élke plek waar ik ben geweest Vlamingen of Nederlanders ben tegengekomen. Het lijkt wel alsof je die niet kunt ontlopen op vakantie (lacht).

Aafke: Ik herinner me een meerdaagse trektocht in Noorwegen, over zo'n hoogvlakte waar je echt dagenlang niemand tegenkomt. En de eerste persoon die ik na drie dagen terugzag, zei doodgewoon ‘Hallo!’ tegen me, midden in Noorwegen. Dat was zo bizar!

Klinkt ook een beetje als een anticlimax.

Aafke: Toch? Nu ja, het is vast ook typisch Nederlands om je daar dan aan te ergeren.

Kelia: Ja, waarom vinden wij dat eigenlijk erg? Ik ken net zo goed mensen die het ontzettend leuk vinden om landgenoten tegen te komen in het buitenland.

Mijn volgende vraag was: heb je weleens last van taalheimwee op vakantie, maar bij dezen zullen we die schrappen! Zijn er dingen in het Nederlands die voor jullie voelen als thuiskomen? Iets waar je het spontaan warm van krijgt als je het hoort?

Aafke: Ja, het dialect waarmee ik ben opgegroeid, uit Oost-Brabant. Dat is een heel klein bubbeltje – je hoort zelfs het verschil met het dialect van iemand die één dorp verderop woont, bij wijze van spreken. Elke keer als ik mijn eigen dialect hoor, heb ik het gevoel dat ik weer in dat kleine Brabantse bubbeltje zit.  

Kelia: Ik heb dat niet echt met taal, maar ik associeer ‘thuis’ wel met een gebouw: de Sint-Romboutstoren in Mechelen. Je kunt die van vrij ver zien, dus zodra ik die zie, weet ik dat ik bijna thuis ben. Daar horen natuurlijk ook taal en eten en bepaalde gewoontes bij, maar mijn thuisgevoel is toch vooral gelinkt aan die toren.  



"In een andere taal gaat toch vaak de spontaniteit verloren die je in je moedertaal hebt."



© Mathias Hannes

Laten we het eens hebben over figuurlijke taalreizen. Naar welke plek en tijd reizen jullie het liefst in boeken? 

Aafke: Ik ben altijd een tijdje geobsedeerd door een bepaalde periode en plek. Ik heb bijvoorbeeld een paar jaar alleen maar boeken gelezen over Berlijn in de jaren 1980. Niet dat dat per se zo’n leuke plek was, maar ik was er gewoon door gefascineerd, ik wilde er alles over weten. Momenteel heb ik hetzelfde met het Rusland van net voor de revolutie in 1918. Dat staat zo ver af van wat we nu kennen, en ik vind dat dus heel fascinerend.

Hoe is die fascinatie gestart?

Aafke: Sja, ik heb ADHD, dus ik weet nooit precies hoe een fascinatie start. Meestal zie ik ergens een plaatje, en drie seconden later zit ik ergens in een rabbit hole waarvan ik al niet meer weet hoe ik er terecht ben gekomen. En opeens is het 35 uur later en ben ik nog steeds bezig met doorklikken op Wikipedia.

En vijf jaar later ben je dan een expert in dat thema.

Aafke: Dat is wel een ding, ja.

Kelia: Ik heb dat minder. Ik heb niet echt een voorkeur voor een periode of plek, ik kies mijn boeken eerder thematisch, op basis van wat ik op een bepaald moment in mijn leven nodig heb, denk ik. Ik ben nu bijvoorbeeld een boek aan het lezen van Jassa Ahluwalia over iemand met een gemengde identiteit, een Indiaas-Engelse man die white passing is, die dus doorgaat voor een witte man. Dat boek vertelt zijn levensloop van de jaren tachtig tot nu. En ik lees natuurlijk ook heel veel kinderliteratuur. Dat vind ik heel leuk, maar ik ben wel kritisch: het mag niet gedateerd zijn en ik ga ook altijd op zoek naar diversiteit en inclusiviteit.

Met welke schrijver uit een andere periode zou je graag een avond op café gaan?

Kelia: Ik denk dat ik zou kiezen voor bell hooks, vanwege de empathie en de liefde die zij opbrengt voor mensen. Ze toont zoveel zachtheid, begrip en inzicht voor iedereen. Ik kan mij misschien nog niet altijd verplaatsen in haar perspectief, maar dat is wel iets waar ik verder in wil groeien.  

Aafke: Ik kies Ferdinand Bordewijk. Die is gestorven in 1965 en hij was lang mijn lievelingsschrijver. Zijn romans spelen zich heel vaak af in het Rotterdam van voor de Tweede Wereldoorlog, toen het nog niet platgebombardeerd was. Ze tonen enerzijds de meest armoedige plekken van de stad en anderzijds de rijkste plekken van de stad. Bordewijk was zelf heel rijk, maar hij had een scherp oog voor ongelijkheid. Ik zou het ontzettend interessant vinden om met hem te praten, en zeker over het vooroorlogse Nederland. 

We bestellen alvast een teletijdmachine!