Wist je dat er zoiets bestaat als een patat-frietgrens? Dat is de informele grens die het Nederlandse taalgebied verdeelt tussen mensen die gefrituurde aardappelstaafjes ‘patat’ noemen en zij die daarvoor het woord ‘frieten’ (of ‘frietjes’) gebruiken.

Hoewel de patat-frietgrens geen officiële geografische scheidingslijn is, is het wel een opvallend voorbeeld van wat in de taalkunde een idiomatische isoglosse wordt genoemd. Het woord ‘idiomatisch’ betekent dat een uitdrukking of term eigen is aan een bepaalde taal of cultuur. En een isoglosse is niets meer of minder dan een taalkundige grenslijn die dialectverschillen of variaties in taalgebruik aanduidt.

Patat of friet? Een bijzondere taalgrens

Wat maakt de patat-friet-isoglosse zo bijzonder? Het komt niet vaak voor dat er voor zo’n relatief recent concept twee verschillende benamingen bestaan die algemeen in gebruik zijn. Bovendien valt de patat-frietgrens bijna samen met de Nederlands-Belgische staatsgrens, maar niet helemaal. Hoewel in België iedereen het over ‘friet(en)’ heeft, kan het gebruik van de termen ‘friet’ of ‘patat’ in Nederland een aanwijzing zijn voor de herkomst van de spreker. Komt die uit het gebied ten zuiden of ten noorden van de grote rivieren?

Ongetwijfeld heb ook jij een duidelijke voorkeur voor de ene of de andere term. Met uitzondering van Zeeland, loopt de patat-frietgrens grotendeels parallel met de grens die mensen met een zachte g in de spreektaal scheidt van harde-g-gebruikers.

Waar komt dat verschil vandaan?

Het woord ‘friet’ is een afkorting van het Franse 'patates-frites'. Het populaire gerecht verspreidde zich in twee golven, met telkens een andere benaming.

De eerste golf, ‘friet’, ontstond eind 19de eeuw in België en bereikte begin 20ste eeuw Zuid-Nederland. Omdat in Vlaanderen de afkorting 'patat' al sinds de 17de eeuw wordt gebruikt om aardappelen aan te duiden, maakte de afkorting ‘patat’ daar geen schijn van kans voor de aardappelstaafjes.

De tweede golf begon kort na 1945 in de Randstad, eerst als 'patatfriet', maar dat werd al snel verkort tot simpelweg ‘patat’. In Vlaanderen won het meervoud van het oorspronkelijke ‘friet’ aan populariteit: het is intussen veel gebruikelijker om er ‘frieten’ (meervoud) of (het verkleinwoord) ‘frietjes’ te eten.  

Isgolossen

In heel Nederland en België vinden we een wirwar aan isoglossen die gebieden van elkaar scheiden waar verschillende uitdrukkingen, woorden of uitspraakwijzen worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan het verschil in uitspraak van de letter 'r’, of de grens tussen het 'gij-' en het 'jij'-gebied.

Wat isoglossen zo fascinerend maakt, is dat ze aantonen dat taalgemeenschappen hun identiteit vormgeven door middel van hun taalgebruik. Zo’n taalverschil toont aan tot welke groep je behoort. Vaak is dat onderscheid in de eerste plaats een bron van vertier, maar het kan ook leiden tot verhitte discussies over wat de juiste term of uitspraak is.

De patat-frietgrens is dus meer dan alleen een grappig fenomeen. Het bewijst dat onze Nederlandse taal rijk en divers is, en dat achter elk woord een stukje geschiedenis, cultuur en identiteit schuilt. Bedenk bijvoorbeeld ook eens wat je bij je friet of patat wenst: ‘stoofvlees’, ‘draadjesvlees’, ‘suddervlees’ of ‘stoverij’?